maîtriser
maît
mɛt
met
ri
ʁi
ri
ser
ze
ze

Definitie en betekenis van "maîtriser"in het Frans

maîtriser
01

beheersen, controleren

acquérir une compétence ou une connaissance et la contrôler parfaitement 
maîtriser definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
maîtrise
1e persoon meervoud
maîtrisons
1e persoon toekomende tijd
maîtriserai
onvoltooid deelwoord
maîtrisant
voltooid deelwoord
maîtrisé
1e persoon meervoud imperfectum
maîtrisions
Voorbeelden
Elle maîtrise parfaitement l'anglais. 

Ze beheerst Engels perfect.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store