Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
laver
01
wassen
nettoyer quelque chose avec de l'eau ou un autre liquide
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
lave
1e persoon meervoud
lavons
1e persoon toekomende tijd
laverai
onvoltooid deelwoord
lavant
voltooid deelwoord
lavé
1e persoon meervoud imperfectum
lavions
Voorbeelden
Ils lavent la voiture chaque week - end.
Ze wassen de auto elk weekend.
02
vrijspreken, ontlasten
enlever une accusation ou une faute, déclarer innocent
Voorbeelden
Elle a été lavée du soupçon d' espionnage.
Ze werd gewassen van de verdenking van spionage.
03
zich wassen, zich baden
nettoyer son propre corps ou une partie de son corps
Voorbeelden
Nous nous lavons après le sport.
We wassen ons na het sporten.



























