Le jean
[gender: masculine]
01
jeans, spijkerbroek
un pantalon fait en tissu denim, souvent bleu
Voorbeelden
Elle a acheté un nouveau jean hier.
Ze heeft gisteren een nieuwe jeans gekocht.
02
denimstof, spijkerstof
tissu robuste en coton utilisé pour faire des vêtements, surtout des pantalons
Voorbeelden
Ce manteau est fait en jean épais.
Deze jas is gemaakt van dik jeans.



























