Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le fantôme
01
geest, spook
l'esprit ou l'apparition d'une personne décédée
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
fantômes
Voorbeelden
Les enfants ont peur du fantôme dans le vieux château.
De kinderen zijn bang voor de geest in het oude kasteel.
02
spook, geest
une personne qui a l'air très pâle ou malade
Voorbeelden
Après la maladie, il était tout fantôme.
Na de ziekte was hij helemaal spook.
03
geest, illusie
une image ou sensation imaginaire qui semble réelle
Voorbeelden
Il croyait voir un fantôme dans le brouillard.
Hij dacht een spook in de mist te zien.



























