Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le bœuf
01
os, gecastreerde stier
un animal mâle de l'espèce bovine, généralement castré et utilisé comme bête de trait
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
dier
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
bœufs
Voorbeelden
Le bœuf tire une charrette dans le champ.
De os trekt een kar op het veld.
02
rundvlees, biefstuk
viande rouge que l'on mange, souvent utilisée dans la cuisine
Voorbeelden
Le bœuf est un ingrédient courant dans les recettes.
Rundvlees is een veelvoorkomend ingrediënt in recepten.
03
jam session, geïmproviseerde muzieksessie
réunion improvisée de musiciens pour jouer de la musique ensemble
Voorbeelden
Ils ont organisé un bœuf hier soir au club.
Ze organiseerden gisteravond een bœuf in de club.



























