Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
aimer
01
houden van, leuk vinden
ressentir de l'affection, de l'attirance ou du plaisir pour quelqu'un ou quelque chose
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
aime
1e persoon meervoud
aimons
1e persoon toekomende tijd
aimerai
onvoltooid deelwoord
aimant
voltooid deelwoord
aimé
1e persoon meervoud imperfectum
aimions
Voorbeelden
Nous aimons voyager en été.
Houden van reizen in de zomer.
02
elkaar liefhebben, van elkaar houden
avoir des sentiments d'amour ou d'affection l'un pour l'autre
Voorbeelden
Ces deux personnes s' aiment en secret.
Deze twee mensen houden in het geheim van elkaar.
03
van jezelf houden, jezelf liefhebben
éprouver de l'amour ou de l'affection pour soi-même
Voorbeelden
Ils ne s' aiment pas depuis leur échec.
Ze houden niet van zichzelf sinds hun mislukking.



























