Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
festejar
01
vieren
celebrar un evento, acontecimiento o logro con alegría y actividades especiales
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
festejo
3e persoon enkelvoud
festeja
onvoltooid deelwoord
festejando
onvoltooid verleden tijd
festejó
voltooid deelwoord
festejado
Voorbeelden
Durante el carnaval, la gente festeja en las calles.
Tijdens carnaval vieren mensen op straat.
02
vieren, zich verheugen
mostrar alegría, diversión o satisfacción, especialmente riendo o disfrutando de un momento
Voorbeelden
Festejaron la victoria del equipo con gritos y carcajadas.
Vierden de overwinning van het team met geschreeuw en gelach.



























