Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
administrar
01
beheren
dirigir o controlar un negocio, recurso o actividad
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
administro
3e persoon enkelvoud
administra
onvoltooid deelwoord
administrando
onvoltooid verleden tijd
administró
voltooid deelwoord
administrado
Voorbeelden
Administrar un proyecto requiere planificación y organización.
Een project beheren vereist planning en organisatie.
02
toedienen
dar medicamentos o tratamiento a alguien
Voorbeelden
Es importante administrar la dosis correcta.
Het is belangrijk om de juiste dosis toe te dienen.
03
de eigen financiën beheren
gestionar los propios recursos o dinero
Voorbeelden
Los jóvenes deben aprender a administrarse desde temprano.
Jonge mensen moeten vroeg leren zichzelf te beheren.



























