Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
El enemigo
01
tegenstander, rivaal
persona o grupo que compite o está en oposición
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
enemigos
Voorbeelden
En el partido de ayer, nuestro enemigo jugó muy bien.
In de wedstrijd van gisteren speelde onze tegenstander erg goed.
02
vijand
persona o grupo que se opone o actúa contra otra persona o grupo
Voorbeelden
Durante la guerra, capturaron a varios enemigos.
Tijdens de oorlog namen ze verschillende vijanden gevangen.



























