Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La temporada
01
seizoen, periode
período del año con características climáticas, deportivas o de actividad específicas
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
meervoudsvorm
temporadas
Voorbeelden
Durante la temporada de lluvias, las calles se inundan.
Tijdens het regenseizoen overstromen de straten.
02
seizoen
conjunto de capítulos de un programa de televisión que se emiten en un período determinado
Voorbeelden
La primera temporada de la serie tiene diez capítulos.
Het eerste seizoen van de serie heeft tien afleveringen.



























