Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
El número
01
getal, nummer
signo o conjunto de signos que expresan una cantidad en matemáticas
Voorbeelden
El número tres es impar.
Het getal drie is oneven.
02
maat
medida que indica el tamaño de un zapato o prenda
Voorbeelden
Uso el número 40 de zapatos.
Ik gebruik nummer 40 schoenen.
03
nummer, editie
ejemplar o versión de una publicación periódica
Voorbeelden
Compré el último número de la revista.
Ik heb het laatste nummer van het tijdschrift gekocht.
04
aantal
cantidad de personas o cosas
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
números
Voorbeelden
El número de turistas creció este año.
Het aantal toeristen is dit jaar gestegen.
05
nummer
un acto individual o rutina dentro de un espectáculo más grande
Voorbeelden
El mago preparó un número nuevo para su show en el casino.
De goochelaar bereidde een nieuw nummer voor voor zijn show in het casino.



























