Zoeken
mandar
[past form: mandé][present form: mando]
01
bevelen, commanderen
dar una orden a alguien
Voorbeelden
El profesor mandó silencio en clase.
De leraar beval stilte in de klas.
02
verzenden, sturen
enviar algo o a alguien a un lugar
Voorbeelden
Nos mandaron una carta desde Perú.
Ze hebben ons een brief uit Peru gestuurd.



























