Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
conocer
01
ontmoeten
empezar a tener conocimiento o trato mutuo entre dos o más personas
Voorbeelden
Ellos se conocieron en la universidad.
Ze ontmoetten elkaar op de universiteit.
02
kennen, weten
tener información, experiencia o familiaridad con algo o alguien
Voorbeelden
Conozco la receta de mi abuela.
Ik ken het recept van mijn oma.
03
herkennen
identificar a alguien o algo que se ha visto antes
Voorbeelden
Conocí a mi profesor en la calle.
Ik heb mijn leraar op straat herkend.
04
kennen, weten
tener información o experiencia sobre alguien o algo por haberlo visto, tratado o aprendido
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
sterk
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
conozco
3e persoon enkelvoud
conoce
onvoltooid deelwoord
conociendo
onvoltooid verleden tijd
conocí
voltooid deelwoord
conocido
Voorbeelden
Conozco a tu hermana.
Ik ken je zus.
05
kennen, beheersen
tener dominio o habilidad en un tema, materia o idioma
Voorbeelden
Ella conoce varios idiomas.
Ze kent verschillende talen.



























