Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La caña
01
hengel, vishengel
vara larga y flexible que se usa para pescar
Voorbeelden
Llevó su caña al lago al amanecer.
Hij nam zijn hengel bij zonsopgang mee naar het meer.
02
riet, bamboe
planta de tallo largo, hueco y flexible que crece en zonas húmedas
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
meervoudsvorm
cañas
Voorbeelden
La caña crece junto al río.
Het riet groeit langs de rivier.
03
landbouwrum, rietsuikerbrandewijn
bebida alcohólica destilada del jugo fermentado de la caña de azúcar
Voorbeelden
Pidió una caña después de la cena.
Hij bestelde een suikerrietlikeur na het diner.



























