Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to go to
[phrase form: go]
01
gaan naar, toegekend worden aan
to be awarded or given to someone or something
Voorbeelden
The prize money will go to the winning team.
Het prijzengeld gaat naar het winnende team.
02
bijdragen aan, leiden tot
to contribute to a specific result or outcome
Voorbeelden
Different elements go to creating a memorable and impactful story.
Verschillende elementen dragen bij aan het creëren van een memorabel en impactvol verhaal.
03
gaan naar, studeren aan
to attend and be a student at a school, college, or university for a specific duration
Voorbeelden
He aspired to go to a renowned film school to pursue his passion for cinematography.
Hij streefde ernaar om naar een gerenommeerde filmschool te gaan om zijn passie voor cinematografie na te jagen.
go to
01
Kom op!, Ach jee!
used to express disbelief or disapproval, particularly when scolding someone
Voorbeelden
Go to! This is not the way we handle things around here.
Kom op! Zo doen we de dingen hier niet.
02
Kom op!, Vooruit!
used to encourage or urge action, often expressing enthusiasm or determination
Voorbeelden
Go to! You can achieve anything with hard work.
Ga ervoor! Je kunt alles bereiken met hard werken.



























