Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to generalize
01
generaliseren, universaliseren
to form a broad conclusion or principle by considering specific instances
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
generalize
3e persoon enkelvoud
generalizes
onvoltooid deelwoord
generalizing
onvoltooid verleden tijd
generalized
voltooid deelwoord
generalized
Voorbeelden
Scientists generalize results from a small study to a larger population.
Wetenschappers generaliseren resultaten van een kleine studie naar een grotere populatie.
02
generaliseren, zich verspreiden
to become widespread or systemic, often referring to a condition affecting the whole body
Voorbeelden
The infection can generalize if not treated promptly.
De infectie kan zich verspreiden als deze niet snel wordt behandeld.
03
generaliseren, universaliseren
to form an opinion or reach a conclusion about something by taking a few instances or facts into account
Voorbeelden
It's unfair to generalize all teenagers as being irresponsible based on the actions of a few.
Het is oneerlijk om alle tieners als onverantwoordelijk te generaliseren op basis van de acties van enkelen.
04
generaliseren, universaliseren
to adapt or simplify content, ideas, or products to appeal to a wider audience
Voorbeelden
The author generalized the novel to reach more readers.
De auteur generaliseerde de roman om meer lezers te bereiken.
Lexicale Boom
generalized
overgeneralize
generalize
general
gener



























