Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to enclose
01
omheinen, omsluiten
to surround a place with a fence, wall, etc.
Transitive: to enclose a place
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
enclose
3e persoon enkelvoud
encloses
onvoltooid deelwoord
enclosing
onvoltooid verleden tijd
enclosed
voltooid deelwoord
enclosed
Voorbeelden
The city ’s gates enclosed the entire town, making it secure from invaders.
De poorten van de stad omsloten de hele stad, waardoor het veilig was voor indringers.
02
omringen, omsluiten
to surround something completely
Transitive: to enclose an area
Voorbeelden
A thick mist enclosed the mountain, obscuring everything in sight.
Een dikke mist omhulde de berg, waardoor alles aan het zicht werd onttrokken.
03
insluiten, bijvoegen
to place something inside a container, such as an envelope or package
Transitive: to enclose a parcel
Voorbeelden
He enclosed the check in an envelope and mailed it to the bank.
Hij sloot de cheque in een envelop en stuurde deze naar de bank.
Lexicale Boom
enclose
close



























