Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to enchant
01
betoveren, beheksen
to put someone under a magic spell
Transitive: to enchant sb/sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
enchant
3e persoon enkelvoud
enchants
onvoltooid deelwoord
enchanting
onvoltooid verleden tijd
enchanted
voltooid deelwoord
enchanted
Voorbeelden
The spellcaster enchanted the ring to grant wishes.
De tovenaar betoverde de ring om wensen te vervullen.
02
betoveren, boeien
to strongly attract someone and make them interested and excited
Transitive: to enchant sb
Voorbeelden
Her captivating storytelling enchanted the audience.
Haar boeiende verhaaltrant betoverde het publiek.
Lexicale Boom
disenchant
enchanter
enchanting
enchant
chant



























