to enchant
Pronunciation
/ɛnˈtʃænt/

Definitie en betekenis van "enchant"in het Engels

to enchant
01

betoveren, beheksen

to put someone under a magic spell
Transitive: to enchant sb/sth
to enchant definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
enchant
3e persoon enkelvoud
enchants
onvoltooid deelwoord
enchanting
onvoltooid verleden tijd
enchanted
voltooid deelwoord
enchanted
Voorbeelden
The spellcaster enchanted the ring to grant wishes.
De tovenaar betoverde de ring om wensen te vervullen.
02

betoveren, boeien

to strongly attract someone and make them interested and excited
Transitive: to enchant sb
to enchant definition and meaning
Voorbeelden
Her captivating storytelling enchanted the audience.
Haar boeiende verhaaltrant betoverde het publiek.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store