Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to enchant
01
betoveren, beheksen
to put someone under a magic spell
Transitive: to enchant sb/sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
enchant
3e persoon enkelvoud
enchants
onvoltooid deelwoord
enchanting
onvoltooid verleden tijd
enchanted
voltooid deelwoord
enchanted
Voorbeelden
The wizard enchanted the princess with a magical spell.
De tovenaar betoverde de prinses met een magische spreuk.
02
betoveren, boeien
to strongly attract someone and make them interested and excited
Transitive: to enchant sb
Voorbeelden
The charming streets of the old town enchanted tourists, inviting them to explore its hidden treasures.
De charmante straatjes van de oude stad betoverden de toeristen en nodigden hen uit om zijn verborgen schatten te ontdekken.
Lexicale Boom
disenchant
enchanter
enchanting
enchant
chant



























