Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to empower
01
machtigen, bekrachtigen
to give someone the power or authorization to do something particular
Transitive: to empower sb
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
empower
3e persoon enkelvoud
empowers
onvoltooid deelwoord
empowering
onvoltooid verleden tijd
empowered
voltooid deelwoord
empowered
Voorbeelden
The manager sought to empower the team by delegating decision-making authority.
De manager probeerde het team te bevoegdheden door beslissingsbevoegdheid te delegeren.
02
bekrachtigen, versterken
to give someone the ability, strength, or confidence to take control or make decisions independently
Transitive: to empower sb
Voorbeelden
The mentor’s advice helped empower her to pursue her career goals.
Het advies van de mentor hielp haar te empoweren om haar carrièredoelen na te streven.
Lexicale Boom
empowered
empowering
empowerment
empower



























