Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
Nederlands, Hollands
belonging or relating to the Netherlands, its people, and language
Voorbeelden
My sister 's husband is Dutch, so they visit the Netherlands every year.
De man van mijn zus is Nederlands, dus ze bezoeken elk jaar Nederland.
Voorbeelden
She likes the sound of Dutch and plans to study it next.
Ze houdt van het geluid van het Nederlands en plant om het later te studeren.
02
Nederlander, Hollander
a person from the Netherlands or of Dutch descent
Voorbeelden
She met a friendly Dutch who shared tips about traveling in Amsterdam.
Ze ontmoette een vriendelijke Nederlander die tips deelde over reizen in Amsterdam.



























