Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Domain
01
domein, gebied
a territory or area under the control or authority of a ruler or government
Voorbeelden
Local lords governed their own domains independently.
Lokale heren bestuurden hun domeinen onafhankelijk.
02
domein, domeinnaam
the last characters of a website's address such as '.com', '.org', etc.
Voorbeelden
The organization opted for a '.org ' domain to signify its nonprofit status and commitment to social causes.
De organisatie koos voor een .org-domein om haar non-profitstatus en inzet voor sociale doelen aan te geven.
03
domein, superrijk
the highest rank in the biological classification system, above the kingdom, grouping organisms by molecular and structural traits
Voorbeelden
Scientists debated how viruses fit into biological domains.
Wetenschappers debatteerden hoe virussen passen in biologische domeinen.
04
domein, gebied
a particular area of activity, influence, or experience
Voorbeelden
The project falls within the domain of environmental science.
Het project valt binnen het domein van de milieuwetenschappen.
05
domein, gebied
the scope or range of knowledge, interest, or expertise in a particular field
Voorbeelden
The problem belongs to the domain of computer science.
Het probleem behoort tot het domein van de informatica.
06
gemeenschap, omgeving
a group of people united by shared interests or characteristics
Voorbeelden
The business domain values practical results over theory.
Het domein van het bedrijfsleven waardeert praktische resultaten boven theorie.
07
domein, definitiegebied
the set of all possible input values for which a given function is defined
Voorbeelden
The domain of a polynomial function is all real numbers.
Het domein van een polynoomfunctie is alle reële getallen.



























