Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
gang, zijgang
a narrow passage in a theater, train, aircraft, etc. that separates rows of seats
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
aisles
Voorbeelden
The flight attendant walked down the aisle of the airplane, serving refreshments to the passengers seated on either side.
De stewardess liep door het gangpad van het vliegtuig en serveerde verfrissingen aan de passagiers die aan weerszijden zaten.
1.1
gang, doorgang
a long, narrow passage between rows of shelves or displays in a store or supermarket
Voorbeelden
She pushed her cart down the cereal aisle.
Ze duwde haar karretje door de gang met ontbijtgranen.
02
gang, schip
the passageway between rows of seats in a church, often leading from the entrance to the altar
Voorbeelden
The bride walked gracefully down the aisle, her dress trailing behind her.
De bruid liep sierlijk door het gangpad, haar jurk sleepte achter haar aan.
03
gang, doorgang
a long, narrow passage in a natural or architectural setting, such as a cave or wooded area
Voorbeelden
The hikers followed a narrow aisle through the forest.
De wandelaars volgden een smalle gang door het bos.



























