Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to correspond
01
overeenkomen, corresponderen
to match or be similar to something else
Intransitive: to correspond to sth | to correspond with sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
correspond
3e persoon enkelvoud
corresponds
onvoltooid deelwoord
corresponding
onvoltooid verleden tijd
corresponded
voltooid deelwoord
corresponded
Voorbeelden
The data collected from the experiment closely corresponds to the predictions made by the scientific model.
De gegevens die tijdens het experiment zijn verzameld, komen nauw overeen met de voorspellingen van het wetenschappelijke model.
02
corresponderen, een directe relatie hebben met
to have a direct relationship or alignment with something else, such as paired values or elements
Intransitive: to correspond to sth
Voorbeelden
Each point on the graph corresponds to a pair of values in the equation.
Elk punt op de grafiek komt overeen met een paar waarden in de vergelijking.
03
corresponderen, brieven uitwisselen
to exchange written messages, such as letters or emails, with someone
Intransitive: to correspond | to correspond with sb
Voorbeelden
They have been corresponding for months about the upcoming event.
Ze corresponderen al maanden over de aanstaande gebeurtenis.
04
corresponderen, overeenkomen
to be similar to or match something in character, form, or function
Intransitive: to correspond to character or function of something
Voorbeelden
In this system, the role of the teacher corresponds to that of the mentor.
In dit systeem komt de rol van de leraar overeen met die van de mentor.
Lexicale Boom
correspondence
correspondent
corresponding
correspond



























