Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to lay on
01
verstrekken, aanbieden
to supply someone with something, particularly food or entertainment
Dialect
British
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
on
basiswerkwoord
lay
tegenwoordige tijd
lay on
3e persoon enkelvoud
lays on
onvoltooid deelwoord
laying on
onvoltooid verleden tijd
laid on
voltooid deelwoord
laid on
Voorbeelden
The hotel laid on a sumptuous breakfast buffet for its guests.
Het hotel zette een weelderig ontbijtbuffet op voor zijn gasten.
02
opleggen, opdringen
to burden someone with something difficult or unpleasant
Voorbeelden
The boss laid too much work on his employees, expecting them to work overtime every night.
De baas legde te veel werk op zijn werknemers, in de verwachting dat ze elke avond overuren zouden maken.
03
herhalen, volharden
to repeatedly say something
Voorbeelden
The politician laid on the same talking points about the economy throughout the debate.
De politicus herhaalde tijdens het hele debat dezelfde punten over de economie.



























