Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to go over to
[phrase form: go]
01
overgaan naar, van kant veranderen
to change one's allegiance or beliefs and switch to a different side, opinion, habit, or position
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
over to
basiswerkwoord
go
tegenwoordige tijd
go over to
3e persoon enkelvoud
goes over to
onvoltooid deelwoord
going over to
onvoltooid verleden tijd
went over to
voltooid deelwoord
gone over to
Voorbeelden
The prominent scientist went over to the rival research team to contribute to a groundbreaking study.
De vooraanstaande wetenschapper ging over naar het rivaliserende onderzoeksteam om bij te dragen aan een baanbrekende studie.
02
overgaan naar, het woord geven aan
(in broadcasting) to transition to a different individual or location to present the next segment of a program, news report, or live event
Voorbeelden
The anchor will go over to the sports desk for the day's top highlights.
De presentator gaat naar de sportredactie voor de hoogtepunten van de dag.



























