Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to win
01
winnen, zegevieren
to become the most successful, the luckiest, or the best in a game, race, fight, etc.
Transitive: to win a contest
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
onregelmatig
tegenwoordige tijd
win
3e persoon enkelvoud
wins
onvoltooid deelwoord
winning
onvoltooid verleden tijd
won
voltooid deelwoord
won
Voorbeelden
Did the home team win the basketball game last night?
Heeft het thuisteam de basketbalwedstrijd gisteravond gewonnen?
1.1
winnen, verkrijgen
to be awarded something such as a prize after winning a contest, bet, etc.
Transitive: to win a prize
Voorbeelden
Did your team win any awards at the event?
Heeft je team prijzen gewonnen tijdens het evenement?
02
winnen, verkrijgen
to manage to get something through one's actions or words
Ditransitive: to win sb sth
Transitive: to win sth
Voorbeelden
The charity 's good deeds have won them a loyal donor base.
De goede daden van het goede doel hebben hen een loyale donorbasis opgeleverd.
01
overwinning, succes
a victory (as in a race or other competition)
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
wins
02
winst, overwinning
something won (especially money)



























