ticket
ti
ˈtɪ
ti
cket
kɪt
kit
tucketthicket

Definitie en betekenis van "ticket"in het Engels

01

kaartje, ticket

a piece of paper or card that shows you can do or get something, like ride on a bus or attend an event 
ticket definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
tickets
Voorbeelden
He lost his ticket and had to get a new one at the ticket counter. 

Hij verloor zijn kaartje en moest een nieuw halen aan het loket.

02

het ding, de zaak

the appropriate or desirable thing 
03

boete, bon

a fine issued by law enforcement for violating traffic laws or regulations 
Voorbeelden
He received a ticket for speeding on the highway. 

Hij kreeg een boete voor te hard rijden op de snelweg.

04

kieslijst, verkiezingsticket

a group of candidates nominated by a political party for election 
Voorbeelden
The party announced its ticket for the upcoming local elections. 

De partij kondigde haar lijst aan voor de komende lokale verkiezingen.

05

ticket, label

a label or tag attached to an item for identification or pricing 
06

ticket, lot

a physical or electronic document that represents the purchase of a chance to win a prize or participate in a game 
to ticket
01

ticketen, een ticket verstrekken

provide with a ticket for passage or admission 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
ticket
3e persoon enkelvoud
tickets
onvoltooid deelwoord
ticketing
onvoltooid verleden tijd
ticketed
voltooid deelwoord
ticketed
02

beboeten, een boete uitdelen

issue a ticket or a fine to as a penalty 
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store