Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Ticket
01
kaartje, ticket
a piece of paper or card that shows you can do or get something, like ride on a bus or attend an event
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
tickets
Voorbeelden
The flight attendant scanned my electronic ticket before I boarded the plane.
De stewardess scannde mijn elektronische ticket voordat ik het vliegtuig instapte.
02
het ding, de zaak
the appropriate or desirable thing
03
boete, bon
a fine issued by law enforcement for violating traffic laws or regulations
Voorbeelden
She was pulled over and given a ticket for running a red light.
Ze werd aangehouden en kreeg een bon voor het negeren van een rood licht.
04
kieslijst, verkiezingsticket
a group of candidates nominated by a political party for election
Voorbeelden
She supported the ticket because she agreed with all the candidates' policies.
Ze steunde het ticket omdat ze het eens was met alle beleidsmaatregelen van de kandidaten.
05
ticket, label
a label or tag attached to an item for identification or pricing
06
ticket, lot
a physical or electronic document that represents the purchase of a chance to win a prize or participate in a game
to ticket
01
ticketen, een ticket verstrekken
provide with a ticket for passage or admission
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
ticket
3e persoon enkelvoud
tickets
onvoltooid deelwoord
ticketing
onvoltooid verleden tijd
ticketed
voltooid deelwoord
ticketed
02
beboeten, een boete uitdelen
issue a ticket or a fine to as a penalty



























