Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to tend
01
neigen, de neiging hebben
to be likely to develop or occur in a certain way because that is the usual pattern
Transitive: to tend to do sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
tend
3e persoon enkelvoud
tends
onvoltooid deelwoord
tending
onvoltooid verleden tijd
tended
voltooid deelwoord
tended
Voorbeelden
Some plants tend to thrive in direct sunlight, while others prefer shade.
Sommige planten neigen ertoe te gedijen in direct zonlicht, terwijl andere de voorkeur geven aan schaduw.
02
verzorgen, zorgen voor
to care for the needs of someone or something with attention and responsibility
Transitive: to tend sb/sth
Voorbeelden
The gardener tends to the flowers, ensuring they receive proper water and sunlight.
De tuinman verzorgt de bloemen en zorgt ervoor dat ze voldoende water en zonlicht krijgen.
03
verzorgen, beheren
to run or be actively involved in the care or management of something
Dialect
American
Transitive: to tend a business or activity
Voorbeelden
They tend the store during business hours, handling customer inquiries and sales.
Ze beheren de winkel tijdens openingstijden, behandelen klantvragen en verkopen.
Lexicale Boom
distend
subtend
tendency
tend



























