Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to soothe
01
verzachten, kalmeren
to reduce the severity of a pain
Transitive: to soothe a pain
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
soothe
3e persoon enkelvoud
soothes
onvoltooid deelwoord
soothing
onvoltooid verleden tijd
soothed
voltooid deelwoord
soothed
Voorbeelden
She used a warm compress to soothe the sore muscles in her neck.
Ze gebruikte een warm kompres om de pijnlijke spieren in haar nek te verzachten.
02
kalmeren, troosten
to comfort a person or their emotions by providing reassurance or support
Transitive: to soothe a person or their emotions
Voorbeelden
She soothed her crying baby with a lullaby.
Ze kalmeerde haar huilende baby met een slaapliedje.



























