Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
snack, tussendoortje
a small meal that is usually eaten between the main meals or when there is not much time for cooking
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
snacks
Voorbeelden
Potato chips are a common snack, but they are n't very healthy.
Aardappelchips zijn een gebruikelijke snack, maar ze zijn niet erg gezond.
02
een lekker ding, een knapperd
a person who is physically attractive or appealing
Slang
Voorbeelden
Everyone at the party agreed that Chris is a snack.
Iedereen op het feestje was het erover eens dat Chris een snack is.
to snack
01
snoepen, snacken
to eat a small amount of food between meals, typically as a quick and informal meal
Intransitive: to snack on sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
snack
3e persoon enkelvoud
snacks
onvoltooid deelwoord
snacking
onvoltooid verleden tijd
snacked
voltooid deelwoord
snacked
Voorbeelden
While working on the project, they took a break to snack on nuts and energy bars.
Terwijl ze aan het project werkten, namen ze een pauze om noten en energierepen te snoepen.
Lexicale Boom
snackable
snack



























