Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
park
a large public place in a town or a city that has grass and trees and people go to for walking, playing, and relaxing
Voorbeelden
The children were happily playing in the park.
De kinderen speelden vrolijk in het park.
02
parkeerplaats, parkeerterrein
a lot where cars are parked
03
park
a large area of land preserved in its natural state as public property
Voorbeelden
The team won a crucial game at the local park's field.
Het team won een cruciale wedstrijd op het veld van het lokale park.
05
parkeerstand, neutraal
a gear position that acts as a parking brake
06
Schotse ontdekkingsreiziger in Afrika (1771-1806), park (meaning the explorer)
Scottish explorer in Africa (1771-1806)
to park
01
parkeren, stallen
to move a car, bus, etc. into an empty place and leave it there for a short time
Transitive: to park a vehicle
Voorbeelden
The commuters hurriedly parked their bicycles in the designated area before catching the train.
De forensen parkeerden haastig hun fietsen in het aangewezen gebied voordat ze de trein namen.
02
parkeren, neerzetten
to place or leave an object in a particular location for a brief period of time
Transitive: to park sth somewhere
Voorbeelden
Before entering the museum, visitors were advised to park their strollers in the designated area.
Voordat ze het museum betraden, werd bezoekers geadviseerd om hun kinderwagens in de daarvoor bestemde ruimte te parkeren.
03
zoenen, vrijen
to engage in romantic or sexual activities inside a stationary vehicle
Voorbeelden
We just wanted to chat, but they ended up parking.
We wilden gewoon kletsen, maar ze eindigden met parkeren.



























