outbreak
out
ˈaʊt
awt
break
breɪk
breik
/ˈaʊtbreɪk/

Definitie en betekenis van "outbreak"in het Engels

01

uitbraak, epidemie

the unexpected start of something terrible, such as a disease
Voorbeelden
Health officials were concerned about the outbreak of measles in the neighborhood.
Gezondheidsfunctionarissen maakten zich zorgen over de uitbraak van mazelen in de buurt.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store