Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
üben
01
oefenen, trainen
Etwas wiederholt machen, um besser zu werden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
übe
3e persoon enkelvoud
übt
onvoltooid deelwoord
übend
onvoltooid verleden tijd
übte
voltooid deelwoord
geübt
Voorbeelden
Er übt das Sprechen mit einem Partner.
Hij oefent spreken met een partner.



























