der zahn
zahn
t͡sa:n
tsan

Definitie en betekenis van "zahn"in het Duits

01

tand, tand

Hartes Teil im Mund zum Kauen 
der Zahn definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
genitiefvorm
Zahn(e)s
meervoudsvorm
Zähne
Voorbeelden
Ich habe einen wackeligen Zahn. 

Ik heb een wiebelende tand.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store