Zoeken
wissen
01
weten, kennen
Etwas im Kopf haben oder kennen
Voorbeelden
Sie weiß, wo er wohnt.
Ze weet waar hij woont.
02
kunnen, in staat zijn om
Die Fähigkeit haben, etwas zu tun
Voorbeelden
Sie weiß gut zu zeichnen.
Ze weet goed te tekenen.
03
onthouden, herinneren
Sich an etwas erinnern
Voorbeelden
Sie weiß nicht mehr die Telefonnummer.
Ze weet het telefoonnummer niet meer.
Das Wissen
[gender: neuter]
01
Gesammelte Informationen und Kenntnisse
Voorbeelden
Wissen ist Macht.


























