Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
verbrennen
01
verbranden, afbranden
Etwas durch Feuer zerstören oder durch Hitze beschädigen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
brennen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
verbrenne
3e persoon enkelvoud
verbrennt
onvoltooid deelwoord
verbrennend
onvoltooid verleden tijd
verbrannte
voltooid deelwoord
verbrannt
Voorbeelden
Im Herbst verbrennen wir das Laub im Garten.
In de herfst verbranden we de bladeren in de tuin.
02
zich verbranden, zichzelf verbranden
Sich durch Hitze oder Feuer verletzen
Voorbeelden
Pass auf, dass du dich nicht am Feuer verbrennst!
Pas op dat je je niet verbrandt aan het vuur !



























