täuschen

Definitie en betekenis van "täuschen"in het Duits

täuschen
01

bedriegen, misleiden

Jemanden absichtlich falsch informieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
täusche
3e persoon enkelvoud
täuscht
onvoltooid deelwoord
täuschend
onvoltooid verleden tijd
täuschte
voltooid deelwoord
getäuscht
Voorbeelden
Sie täuschte ihre Freunde mit einer Lüge.
Ze misleidde haar vrienden met een leugen.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store