Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
schätzen
[past form: schätzt]
01
schatten
Etwas ungefähr beurteilen oder einen Wert bestimmen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
schätze
3e persoon enkelvoud
schätzt
onvoltooid deelwoord
schätzend
onvoltooid verleden tijd
schätzt
voltooid deelwoord
geschätzt
Voorbeelden
Wir müssen den Schaden schätzen lassen.
We moeten de schade laten schatten.
02
waarderen, respecteren
Jemanden respektieren oder wertschätzen
Voorbeelden
Wir schätzen ihre Ehrlichkeit.
Wij waarderen haar eerlijkheid.



























