naschen
naschen
naʃn
nashn

Definitie en betekenis van "naschen"in het Duits

naschen
[past form: naschte]
01

snoepen, knabbelen

In kleinen Mengen Süßigkeiten oder Leckereien essen, besonders zwischendurch
naschen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
nasche
3e persoon enkelvoud
nascht
onvoltooid deelwoord
naschend
onvoltooid verleden tijd
naschte
voltooid deelwoord
genascht
Voorbeelden
Wir naschten heimlich Omas Marmelade.
We hebben stiekem oma's jam gesnoept.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store