Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
mitgehen
01
mit jemandem zusammen an einen Ort gehen; jemanden begleiten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
Voorbeelden
Meine Freunde wollten in eine Bar gehen, also ging ich mit.



























