Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
manipulieren
01
manipuleren, beïnvloeden
jemanden gezielt beeinflussen oder täuschen, um ihn zu einem bestimmten Verhalten zu bringen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
manipuliere
3e persoon enkelvoud
manipuliert
onvoltooid deelwoord
manipulierend
onvoltooid verleden tijd
manipulierte
voltooid deelwoord
manipuliert
Voorbeelden
Kinder lassen sich leicht manipulieren.
Kinderen laten zich gemakkelijk manipuleren.
02
manipuleren
Etwas absichtlich zu seinem Vorteil steuern oder verändern
Voorbeelden
Sie manipulierte die Ergebnisse zu ihrem Vorteil.
Ze manipuleerde de resultaten in haar voordeel.



























