Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
klingen
01
klinken, weerklinken
Ein bestimmtes Geräusch machen oder so klingen, dass man es hört
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
onregelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
klinge
3e persoon enkelvoud
klingt
onvoltooid deelwoord
klingend
onvoltooid verleden tijd
klang
voltooid deelwoord
geklungen
Voorbeelden
Aus dem Wald klang der Ruf des Vogels.
Uit het bos klonk de roep van de vogel.
02
klinken, lijken
So wirken oder erscheinen, als ob etwas auf eine bestimmte Weise ist
Voorbeelden
Dein Plan klingt interessant.
Je plan klinkt interessant.



























