Zoeken
heilen
[past form: heilte]
01
genezen, helen
Gesund werden
Voorbeelden
Grippe heilt normalerweise ohne Medikamente.
Griep geneest meestal zonder medicijnen.
02
genezen, helen
Jemanden oder etwas gesund machen
Voorbeelden
Die Ärztin heilt die Infektion mit Antibiotika.
De arts geneest de infectie met antibiotica.


























