Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
heilen
[past form: heilte]
01
genezen, helen
Gesund werden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
heile
3e persoon enkelvoud
heilt
onvoltooid deelwoord
heilend
onvoltooid verleden tijd
heilte
voltooid deelwoord
geheilt
Voorbeelden
Grippe heilt normalerweise ohne Medikamente.
Griep geneest meestal zonder medicijnen.
02
genezen, helen
Jemanden oder etwas gesund machen
Voorbeelden
Die Ärztin heilt die Infektion mit Antibiotika.
De arts geneest de infectie met antibiotica.



























