Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Das Ehepaar
[gender: neuter]
01
getrouwd stel, echtpaar
Zwei Menschen, die miteinander verheiratet sind
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
onzijdig
genitiefvorm
Ehepaar(e)s
meervoudsvorm
Ehepaare
Voorbeelden
Ich habe das nette Ehepaar gestern getroffen.
Ik heb het getrouwde stel aardig gisteren ontmoet.
Lexicale Boom
ehepaar
ehe
paar



























