Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
arbeiten
01
werken, arbeiden
Eine Tätigkeit für Geld oder Ergebnisse ausführen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
arbeite
3e persoon enkelvoud
arbeitet
onvoltooid deelwoord
arbeitend
onvoltooid verleden tijd
arbeitete
voltooid deelwoord
gearbeitet
Voorbeelden
Wir arbeiten von 9 bis 5 Uhr.
We werken van 9 tot 17 uur.
02
zich met moeite een weg banen, moeizaam vooruitkomen
Sich mühsam durch etwas hindurchbewegen
Voorbeelden
Die Bergsteiger arbeiten sich den Hang hinauf.
De bergbeklimmers werken zich de helling op.



























