Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
sauter
01
springen, huppelen
se propulser en l'air ou franchir un obstacle en faisant un mouvement vers le haut
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
saute
1e persoon meervoud
sautons
1e persoon toekomende tijd
sauterai
onvoltooid deelwoord
sautant
voltooid deelwoord
sauté
1e persoon meervoud imperfectum
sautions
Voorbeelden
L'enfant saute très haut.
Het kind springt erg hoog.
02
overspringen, eroverheen springen
passer par-dessus quelque chose sans le toucher
Voorbeelden
Il saute la clôture facilement.
Hij springt gemakkelijk over het hek.
03
bakken, sauteren
cuire rapidement des aliments à feu vif avec un peu d'huile ou de beurre
Voorbeelden
Elle saute les légumes avec un peu d'huile d'olive.
Ze roerbakt de groenten met een beetje olijfolie.
04
overslaan, overgeslaan
ne pas faire ou ne pas prendre quelque chose, volontairement ou par oubli
Voorbeelden
Il a sauté une question dans le test.
Hij sloeg een vraag over in de test.



























