Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
redouter
01
vrezen, vrees hebben voor
craindre fortement quelque chose ou quelqu'un
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
redoute
1e persoon meervoud
redoutons
1e persoon toekomende tijd
redouterai
onvoltooid deelwoord
redoutant
voltooid deelwoord
redouté
1e persoon meervoud imperfectum
redoutions
Voorbeelden
Les habitants redoutent la tempête annoncée.
De inwoners vrezen de aangekondigde storm.



























