Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to descend
01
afdalen
to move toward a lower level
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
descend
3e persoon enkelvoud
descends
onvoltooid deelwoord
descending
onvoltooid verleden tijd
descended
voltooid deelwoord
descended
Voorbeelden
The elevator started to descend to the ground floor of the office building.
De lift begon naar de begane grond van het kantoorgebouw te dalen.
02
afstammen, voortkomen uit
to be related by blood, typically referring to the lineage or family connection
Transitive: to descend from an ancestor
Voorbeelden
She descends from a long line of accomplished artists and painters.
Ze stamt af van een lange lijn van succesvolle kunstenaars en schilders.
03
afdalen, zich verlagen
to engage in an action or behavior that one perceives as beneath their personal standards of honor or self-respect
Transitive: to descend to an action
Voorbeelden
He chose not to descend to the level of his argumentative colleague during the heated debate.
Hij koos ervoor om niet af te dalen tot het niveau van zijn argumentatieve collega tijdens het verhitte debat.
04
neerdalen, vallen
to arrive or appear unexpectedly, creating a surprise or disconcerting effect
Intransitive
Voorbeelden
As the curtain opened, a magical light seemed to descend, revealing the breathtaking set.
Toen het gordijn openging, leek er een magisch licht neer te dalen, waardoor het adembenemende decor zichtbaar werd.
Lexicale Boom
descendant
descendent
descender
descend



























