Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to set against
01
tegen elkaar opzetten, vijandig maken
to cause someone to become opposed or hostile toward a friend, relative, ally, etc.
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
against
basiswerkwoord
set
tegenwoordige tijd
set against
3e persoon enkelvoud
sets against
onvoltooid deelwoord
setting against
onvoltooid verleden tijd
set against
voltooid deelwoord
set against
Voorbeelden
His lies set the siblings against each other, creating a rift in their relationship.
Zijn leugens zetten de broers en zussen tegen elkaar op, wat een kloof in hun relatie veroorzaakte.
02
vergelijken, tegenoverstellen
to compare two or more things by considering them in relation to each other
Voorbeelden
The new policy was set against the old one to highlight the differences and improvements.
Het nieuwe beleid werd vergeleken met het oude om de verschillen en verbeteringen te benadrukken.
03
verrekenen, tegen elkaar wegstrepen
to balance one financial amount with another
Voorbeelden
The company set its losses against its profits to find the net income for the year.
Het bedrijf verrekende zijn verliezen met zijn winsten om het netto-inkomen voor het jaar te vinden.



























